|
(Frans Begijn)
Een paar maanden geleden kon ik mijn ogen nauwelijks geloven.
Het filiaal van boekhandel ‘De Slegte’ te Gent is voor mij regelmatig een aanlegplaats voor verpozing bij de afdeling antiquariaat ‘Plant en Dier’. Ik geniet dan ook telkens weer optimaal van al dat papieren moois op de schappen ‘Ornithologie’ en ‘Entomologie’.
Zelfs die schappen waar boeken en tijdschriften geschikt aaneen gestapelt staan lijken op zichzelf reeds een relict uit de oertijd in veredeld geverfd konijnenkotenlarenhout.
Men ondergaat er als bezoeker een sfeer van sereniteit, nostalgie en ingetogen emotie.
Uit respect alleen daarvoor praat men er ook niet bij de Slegte, men fluistert er slechts.
Terwijl m’n huisgenoten euro’s uitgeven in de Gentse binnenstad trek ik mij graag heimelijk terug voor een kortstondige conclaaf met de massa stilzwijgende getuigen. Verrassend deze keer, werken van de hand van memorabele grootmeesters, echte pioniers van toen. Na een lange dag van sloffen en slenteren langs solderende uitstalramen voelde ik me ineens weer ‘zo fris als een konijn op de plein’. (citaat R.W.) en schoot warempel als het ware wat van m’n melk.
Schouder aan schouder stonden ze daar, ‘Het boek voor de Kleurkanariekweker’ van Martin Weijling (vijfde druk, 1960) uitgegeven door N.V. W.J. Thieme & Cie – Zutphen én de ‘Handleiding voor de Kleurkanariekweker’ van Herman.J.Veerkamp (1967) eveneens uitgegeven door N.V. W.J.Thieme & Cie – Zutphen. (beide harde kaften en resp.207 en 216 pagina’s)
Beide werken bleken in een aanvaardbare tot zelfs goede conditie te verkeren en voor nog geen twintig eurootjes tesamen werden ze dan ook gauw mijn eigendom.
Was het inmiddels niet reeds zo’n slordige twintig jaar geleden dat ik mijn bloedeigen Veerkamp genereus uitleende aan iemand die een tweejarige cursus voor kleurkanariekeurmeester zou gaan volgen ?
Mijn ‘Veerkamp’ bleek ook ‘de Bijbel’ voor toekomstige kleurkanariekeurders als ondersteuning om een en ander tot een verantwoord en succesvol eind te brengen.
Mijn bloedeigen ‘Veerkamp’ was met de noorderzon vertrokken en zag ik echter nooit meer terug. Ik beschouwde de lege plaats in de boekenkast al die tijd als stille getuige van een verkapte vorm van hoogverraad tegenover Herman. Ik zwoer bij mezelf van zodra ik in de mogelijkheid zou zijn deze onvergeeflijke blunder zonder aarzelen koste wat het kost te herstellen.
U zult dan ook begrijpen dat m’n jubelstemming bij de Slegte gegrond was doordat ik het geesteskind van Herman opnieuw op zijn plaats in het boekenrek kon bijschuiven.
Weijling en Veerkamp deden (en doen nog steeds) vele harten van fanatieke kleurkanarieliefhebbers sneller kloppen, ofschoon in het verloop der jaren hun bewonderenswaardige theorie met betrekking tot een en ander enigszins diende te worden herschikt en daar waar nodig bijgestuurd.
Bladerend stuitte ik op enkele passages welke mij even de moeite waard leken om ze maar meteen aan U mee te geven, ziehier daarom hetgeen volgt en trek uw conclusie.
Martin Weijling. Hoofdstuk 5 Citroengele kanaries. De blauwfactor s. (pag.27) ( 1951 - 1960 )
Wanneer ons oog een kleur waarneemt, dan lijkt ons dit zeer eenvoudig.
We denken de kleur te zien doordat het geziene voorwerp de kleurstoffen bezit welke wij waarnemen. Toch is dit begrip van ‘kleuren zien’ maar betrekkelijk juist.
Ik zal daarom over de kleurwaarneming door ons oog iets naders mededelen.
Ons oog neemt de kleur van een voorwerp waar doordat het voorwerp lichtstralen ontvangt en deze lichtstralen naar ons oog terugkaatst, waarbij dan ons oog werkt als de lens van een camera.
De lichtstralen die het voorwerp ontvangt uit het daglicht zijn eigelijk een bundel stralen van diverse kleuren en nu zal het voorwerp de lichtstralen terugkaatsen van die kleur welke het voorwerp zelf bezit.
Van de blauwe lichtstralen is echter bekend dat zij naar ons oog teruggekaatst worden zelfs als het voorwerp geen blauwe kleur bezit.
De terugkaatsing van blauwe lichtstralen berust dan op een bepaalde bouw van de buitenste cellen van het voorwerp. Een kleur, die niet berust op eigen kleurstof van het gezien voorwerp, wordt dan ook naar de bouw der cellen een structuurkleur genoemd.
Blauwe kleur van kanarieveren, is zulk een structuurkleur.
Dr.Hans Steiner en Dr.Gunther Kniesche hebben bij diverse vogelveren vastgesteld, dat de terugkaatsing van blauwe lichtstralen bewerkt wordt door een speciale bouw van de fijne zijtakjes der veren. Zo’n fijn zijtakje vertoont in doorsnede een ongeveer ronde vorm, waarvan de buitenste rand de hoornachtige wand is waarachter een rand van cellen ligt die een zeer fijn gevormde bouw (structuur) bezitten.
Die cellen zijn doorzeeft met uiterst fijne kanaaltjes en hierdoor worden de blauwe lichtstralen uit de totale bundel van diverse lichtstralen als het ware afgezonderd.
Wat nu de citroengele kanarie betreft, weten we dat deze gele kleurstof (lipochroom) in zijn veren heeft
De citroengele heeft echter daarnaast de citroenfactor blauw in zijn veren en geel met blauw geeft in dit geval een gele kleur met groenige weerschijn.
Heeft een kanarie nu bovendien nog melaninen (donkere kleurstoffen) dan wordt het geheel donkerder en duidelijk groen.
Aangezien bij een citroengele uiteraard de melanine ontbreekt, beperkt het effect van de blauwfactor in zo’n vogel slechts tot een groene bijtint.
De blauwfactor heb ik s (kleine letter) genoemd, want deze factor is recessief.
Niet citroengeel noemen we in dit verband S (grote letter).
Toch is het recessieve (terugblijvende) karakter van de blauwfactor niet volkomen.
Kruisingsproducten uit citroen x niet-citroen worden half citroen.
Men noemt deze verervingswijze intermediair (het midden houdend).
De halfcitroenkleurigen zullen echter niet steeds duidelijk van niet-citroen zij te onderscheiden. Dit komt doordat de blauwfactor in graduele verschillen optreedt.
Bij kruising van sterk citroengeel x gewoon geel zijn de half-citroengele wel duidelijk te herkennen. Zo is het dan ook verklaarbaar dat sommige kwekers beweren, dat zij uit twee niet-citroengelen, ook behalve gewoon gele wel citroengele gekweekt hebben.
De gebruikte niet citroengele ouders hadden dan wel degelijk in hetreozygote toestand de blauwfactor. Ze waren S s.
Ik achtte het nodig om hier nadrukkelijk er de aandacht op te vestigen, dat de eerder door mij beschreven intensieffactor niets met citroengele kleur te maken heeft.
De intensieffactor is een afzonderlijke andere factor dan de blauwfactor.
Wel kunnen de intensieffactor en de blauwfactor zich in gele vogels combineren.
Zo onderscheiden we dan ook terecht lichtcitroengele van intensiefcitroengele en lichtgele van intensiefgele. Ik heb citroengeel slechts willen verklaren als berustend op een enkelvoudige mendelfactor s, de blauwfactor.
Er bestaat geen bezwaar om bij citroengele vogels te spreken van de citroenfactor, zolang de kweker maar begrijpt dat die citroenfactor in feite de blauwfactor is.
Op deze blauwfactor kom ik nog terug bij de verklaring van melaninebezittende kanaries zoals groene, agaten, bruine en isabellen.
Herman Veerkamp Hoofdstuk 8 De Intensieffactor (pag.91) ( voorjaar 1967 )
De intensieffactor is wel een van de meest belangrijkste factoren in de kleurkanariekweek.
We onderscheiden n.l. bij de kleurkanaries twee vormen van bevedering, onverschillig tot welke groep zij behoren gepigmenteerd of ongepigmenteerd geel, rood of witfactorig.
We kennen n.l. intensieve en niet intensieve kleurkanaries.
De intensieffactor is bepalend voor de kanarie als showvogel.
Voor sommige klassen zijn er standaardeisen voor niet-intensieve vogels.
Voor andere klassen wordt vereist een intensief gevederte.
Om op tentoonstellingen met zijn showvogels aan de top te staan en eventueel een kampioenschap te behalen, is een goede kennis van de werking der intensieffactor vereist.
Jaarlijks worden er door de diverse bonden tentoonstellingen c.q. wedstrijden georganiseerd. Zo zijn er onder auspiciên van de Ned.Bond van Vogelliefhebbers elk tentoonstellingsseizoen ruim 300 onderlinge wedstrijden. Vele nationale en internationele shows, provinciale en Bondskampioenschappen.
In de grote verscheidenheid van vogels die geêxposeerd worden, nemen de kleurkanaries een grote plaats in ! Hier wordt het ‘kunnen’ van de liefhebber gedemonstreerd en wedijvert hij met zijn medesportvrienden.
Hier toont de ware sportliefhebber zijn liefde en kennis van de kleurkanarie.
Het kleurverdiepend karakter. De ongemuteerde intensieffactor.
Een gele kanarie, lichtgeel, geel of hooggeel in het bezit van de intensieffactor geeft een geheel ander kleurbeeld als de kanarie die deze factor niet bezit !
Het ‘niet in bezit zijn’ van de intensieffactor is in wezen een verkeerde uitdrukking.
Elke kanarie is in het bezit van de ongemuteerde intensieffactor.
Bekijken we eens verschillende gele kanaries, dan zullen we zien dat de mannelijke exemplaren regionaal (plaatselijk op bepaalde plekken) toch wel een zekere graad van intensiviteit blijken te bezitten. Er blijkt een relatie te bestaan tussen bevederingslengte en kleurintensiteit, want juist op die plaatsen welke kortbevederd zijn, vertoont de gele vetstofkleur meer intensiviteit als op plaatsen waar de bevedering langer van bouw is.
Vergelijkt U maar eens de stuit en het rugdek, de kop en flankbevedering.
Nu hebben (door mutatie versterkt en gestabiliseerd door selectieve kweek) de veervelden-met-meerkleurintensiviteit zich uitgestrekt over het gehele lichaam.
Dit bracht met zich mee dat tevens het lichaam werd bedekt met een korte bevedering.
Met als gevolg dat door de korte bevedering de aanwezige kleur zich over het gehele verenpak ging manifesteren als een diepere kleur.
De verdieping van kleur heeft betrekking op de pigmentkleur én de vetstof.
(Tot hier stellingname der auteurs)
* * *
Vips, Mips en ....... is het eten nog niet gereed ?
Het wedstrijdelement binnen onze kleurkanarieliefhebberij neemt voor velen een zeer belangrijke plaats in zoals elk T.T.seizoen opnieuw weer blijkt.
Zou dit aspect binnen de hobby wegvallen dan hoeft het voor de meesten niet meer.
Voor heel veel liefhebbers zijn T.T.’s met alles daaromheen dan ook mede een extra stimulans om de kleurkanarieliefhebberij met veel enthousiasme te (blijven) beoefenen.
Competitie aangaan zit de mens waarschijnlijk een beetje in de genen.
Niet enkel en alleen zomaar vogels kweken om de kweek, doch voortdurend efficiënt en doelgericht ook bakens willen verzetten door naar meer verfijnde standaardeisen exemplaren te kweken naar een ideaalbeeld dat men voorop stelt.
TC-verantwoordelijken verruimen tegenwoordig gelukkig hun horizon tot ver over de landsgrenzen en verkrijgen mede daardoor nieuwe denkbeelden voor ogen door Bond-eigen standaardeisen daar waar nodig verder te optimaliseren.
Het brengt een vorm van innovatie binnen de sport, iets wat het totale-geheel voor de échte liefhebber een nieuwe dimensie kan geven aan zijn doen en laten.
Verstarring of vervlakking laat men maar beter terzijde, stilstaan is achteruit gaan.
Dergelijk ‘wedijveren naar steeds beter’ doet men verder met opgedane kennis van de materie tijdens de praktische klus elk seizoen tijdens de kweekperiode.
Het beoogde product moet ons uiteindelijk een ideale showvogel gekweekt naar ‘DE STANDAARD’ kunnen opleveren. De Standaard blijft tenslotte De Bijbel zowel voor de kweker-tentoonsteller als voor de keurmeester.
Als men zich daar niet in kan vinden loopt het spaak met vroeg of laat een crash tot gevolg
Het mag dus beslist niet ‘kruien worden van een kar met kikkers’.
Kwekers dienen te kweken naar de standaard, keurders dienen er naar te keuren, met dit gegeven zal iedereen het toch wel mee eens zijn.
The Show Must Go On ! daar kan de V.v.N.K. binnen enkele weken te Geel een zoveelste geslaagde demonstratie van geven.
Vips en Mips daar draait het hele circus om tijdens zo’n happening.
Vips ( Very Important Persons ) en Mips ( Most Important Persons ).
Vips wat mij betreft het voltallig bestuur van de V.v.N.K. want zonder hen géén show met het kaliber en de uitstraling van Geel, C.O.M. keurmeesters die naar eer en geweten een uiterst moeilijke taak verrichten, een pak inzenders die de show tot een succes helpen maken en een massa geinteresseerde kwekers als bezoeker veelal op zoek naar datgene wat voor hen binnen hun liefhebberij een meerwaarde kan betekenen .
Mips, wel degelijk de horde belangeloze groep mensen achter de schermen van techniciëns, administratievelingen, via ‘aandragers’ en ‘onvermoeibare sjouwers’ naar keukenpersoneel welke laatsten ‘het inwendige’ der loslopende Vips en Mips verwennen om het allemaal te kunnen blijven opbrengen gedurende een hectische week vol spanning.
Zonder Vips geen zoveelste Internationale C.O.M show, maar zonder Mips eveneens niet.
Zouden genetici-kanariologen als Martin Weijling en Herman Veerkamp ooit hebben kunnen bevroeden dat hun wetenschappelijke kennis met betrekking tot de kleurkanarie mede een motivatie betekende voor veel kleurkanarieliefhebbers om jaar in jaar uit sportief de strijd aan te blijven binden ? Zouden ze stiekum hebben durven dromen dat kleurkanarietentoonstellingen c.q. wedstrijden met alles erom heen een dergelijke omvang konden aannemen zoals de laatste jaren o.m. te Geel het geval was ?
We zullen het nooit met zekerheid weten en koesteren enkel maar het vermoeden.
Slechts het vermoeden geeft ons een goed gevoel, en daar draait het ook om in ’t leven.
Frans Begijn Stekene, september 2005.